Previous

10 February 2008
Johann Sebastian  Bach
J.S. Bach, cantate 'Aus tiefer Not schrei ich zu Dir' (BWV 38)
On Sunday
Starts 16:30
Location Grote Kerk
Performer(s) Bachcantatekoor en -orkest o.l.v. Toon Hagen, m.m.v. Wineke van Lammeren (sopraan), Petra Stoute (alt), Govert Valkenburg (tenor) en Bert van de Wetering (bas); ds. Nelleke Eygenraam (liturg)
Programme
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
[1] Koraal (koor): 'Aus tiefer Not schrei ich zu dir'
[2] Recitatief (alt): 'In Jesu Gnade wird allein'
[3] Aria (tenor): 'Ich höre mitten in den Leiden'
[4] Recitatief (sopraan): 'Ach! daß mein Glaube noch so schwach'
[5] Terzet (sopraan, alt, bas): 'Wenn meine Trübsal als mit Ketten'
[6] Koraal (koor): 'Ob bei uns ist der Sünden viel'
Details

Het Lutherlied ‘Aus tiefer Not schrei ich zu dir’ (1524) is een vrije bewerking van psalm 130, ‘De profundis clamavi ad te’, één van de boetepsalmen. Het is een individueel smeekgebed dat overgaat in een lied van vertrouwen en aan het slot het hele volk Israël tot vertrouwen, hoop en verwachting uitnodigt. Het lied is in ons Liedboek voor de kerken (gezang 19) opgenomen als ‘Uit angst en nood stijgt mijn gebed’, in een vrije bewerking van Jan Wit.

Uit angst en nood stijgt mijn gebed.
O Heer, wil naar mij horen!
Wanneer Gij op ons falen let,
zijn wij, o God, verloren.
Maar in uw eindeloos geduld
delgt Gij de menselijke schuld
en zegent die U vrezen.

Ik hoop op God de Heer en wacht
het woord dat Hij zal spreken.
Al loopt het naar de middernacht,
ik volg zijn heilig teken.
Mijn hart is in de donkerheid
een wachter die het licht verbeidt,
een wachter op de morgen.

Hoop, Israël, op God de Heer
die rijk is aan genade.
Want Hij verlaat u nimmermeer,
al kiest gij ook ten kwade.
Hij leidt u door de woestenij
en maakt gans Israël eens vrij
van ongerechtigheden.

De kerkmuziek was tijdens de vasten in Bachs tijd sober van aard. Tijdens de ‘Veertig dagen’ voor Pasen werden geen cantates uitgevoerd. Bach schreef de koraalcantate ‘Aus tiefer Not schrei ich zu dir’ voor de 21e zondag na Trinitatis. Het libretto is van een onbekende dichter.

Het raamwerk van de cantate wordt gevormd door de delen 1 en 5, de koraaldelen. De tussenliggende strofen (deel 2, 3 en 5) zijn vrije bewerkingen van de koraaltekst (strofe 2, 3 en 4). Het openingskoor is geschreven in de stijl van een zestiende eeuws motet (stile antico). Het gebruik van deze ‘oude vorm’ sluit aan bij de (oude) Phrygische kerktoonsoort van het koraal. Het ‘Phrygisch' is de kerktoonsoort die, zonder mollen of kruizen, alleen de witte toetsen van het klavier gebruikt maar begint en eindigt op de E (of voor tonaal-denkenden: e-klein zonder fis). In het recitatief (deel 4) is de melodie van het koraal te horen in de continuo-bas onder de sopraanstem. De tekst van het recitatief is geen directe bewerking van de koraaltekst, maar heeft betrekking op de woorden van Jezus “Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet!”. Hiermee wordt verwezen naar de evangelielezing van de 21e zondag na Trinitatis (Johannes 4:47-54), het verhaal van de hoveling wiens zoon op sterven ligt maar door Jezus wordt genezen. Op de plaats waar in een cantate gewoonlijk de tweede aria is opgenomen staat een polyfoon trio (deel 5). Dit terzet voor alt, tenor en bas met uitsluitend continuo-begeleiding bestaat uit twee door ritornels omlijste delen: ‘Trübsal’ (beproevingen) met schrijnende halve tonen, en ‘Trost’ met een vrolijke, stijgend gebroken drieklank, maar bij ‘Nacht der Not und Sorgen’ keert het aanvankelijke ‘Trübsal’-motief weer terug. Het begin van het slotkoraal (deel 6) wordt benadrukt door een sterke dissonant beginakkoord.


[JS : 30-01-2008]